In dit dossier

De bijen van Fluvius

De bijen van Fluvius

Bijen zijn belangrijk voor onze samenleving. Ze helpen mee aan de bestuiving van het merendeel van ons fruit en groenten, van appelen en braambessen tot courgettes. Maar omdat het de laatste jaren minder goed gaat met deze vlijtige insectjes, geven we hen bij Fluvius wat extra wind onder de vleugels.

Om de bijenpopulatie in ons land een zetje te geven, is het niet voldoende om een paar kasten vol te proppen met bijen en te hopen dat alles goed komt. Je hebt ook gedreven imkers nodig die weten hoe ze voor de geel-zwarte beestjes moeten zorgen. Gelukkig kunnen we daarvoor rekenen op enkele collega’s met verstand van zaken. Fluvius voorzag hen van kasten, imkerpakken en het nodige materiaal zodat zij hun nuttige werk kunnen leveren.

Voor onze site in Turnhout is logistiek coördinator Pieter Helsen de imker van dienst. Na twee succesvolle seizoenen staan zijn kasten momenteel leeg, maar volgend jaar neemt een nieuw bijenvolkje er zijn intrek. Voor Sint-Niklaas mogen we een beroep doen op de diensten van projectbeheerders Nils De Paepe en Guy Praet en van wervencoördinator Freek Van Vooren. Die laatste maakt binnenkort de overstap naar Brugge, dus misschien vliegen in de West-Vlaamse hoofdstad weldra ook Fluvius-bijtjes rond.

In een wolk van bijen verwijderen twee imkers de honingraten uit de bijenkast.

Maar hoe word je als Fluvius-werknemer ineens de beschermheer van duizenden bijen? Guy en Nils doen hun verhaal.

Wat we doen, doen we voor de bijen.
Winst houden we er niet aan over.

Guy: ‘Ik heb van jongs af aan altijd een link gehad met bijen. Mijn vader zat in de tuinbouw en had voor de bestuiving van zijn bomen en planten altijd een paar kasten staan. Ikzelf houdt al bijen sedert 2012 en bij mijn oudste zoon Michiel, sinds juni ook bij Fluvius in dienst, staan er ook bijenkasten. Sinds kort zorg ik ook voor een viertal kasten van een bevriende imker. Wegens ziekte kan hij tijdelijk niet voor zijn bijen zorgen, dus heb ik zijn kasten bij mijn ouders opgesteld.’

Nils: ‘Ik had minder ervaring met bijen, maar was wel altijd al geïnteresseerd, zeker omdat mijn schoonvader ook bijen houdt. Dus toen Guy twee jaar geleden voorstelde om op het dak van onze site met enkele kasten te beginnen, heb ik meteen voorgesteld om hem te helpen.’

God save the queen

Met hun beschermende pakken aan bestijgen Nils en Guy de trap naar het dak waar de twee kasten staan. Elke kast bestaat uit drie op elkaar gestapelde houten bakken met daarin telkens een tiental houten ramen. Die gebruikt het bijenvolkje om er hun honingraten in te bouwen en die te vullen met honing.

Op een nog lege honingraat zijn honderden bijen hard aan het werk.

Nils: ‘Een bijenkolonie bestaat uit 60 tot 80 000 bijen. Met onze beide kasten samen gaat het hier dus om ongeveer 150 000 bijen. Dat is natuurlijk een schatting. We raken altijd vlug de tel kwijt. (lacht)

Guy: ‘Dit is het derde jaar dat we hier bijen houden. In ons eerste jaar hadden we echter te veel bijensterfte. Wellicht waren de genen van onze koningin niet helemaal in orde. Dus startten we vorig jaar twee nieuwe kolonies. Daarvoor maken we gebruik van een natuurlijk proces dat “zwermen” heet.

Bij “zwermen” produceert een bijenkorf een nieuwe koningin. De oude verlaat dan de kast met ongeveer de helft van de kolonie om ergens in de buurt een nieuwe korf te starten. Als die zwerm ergens neerstrijkt, kun je die voorzichtig samenvegen om ze dan te huisvesten in een nieuwe kast.’

Nils: ‘Maar om dat proces wat te versnellen, gebruiken we een “kunstzwerm”. Daarbij nemen we uit een volwaardige bijenkast een vijftal ramen waarin honing, stuifmeel en eitjes aanwezig zijn en plaatsen die, samen met een evenredig gedeelte van bijen, in een nieuwe kast. Vooral de eitjes zijn heel belangrijk, want daaruit wordt een nieuwe koningin gekweekt.

Om die nieuwe kolonies tijd te geven aan te groeien, hebben we hen vorig jaar grotendeels met rust gelaten, maar dit jaar kunnen we al voor de tweede maal honing oogsten. Het zal ook de laatste keer zijn, want eind juli is het bijenseizoen eigenlijk afgelopen.’

Een winter zonder mannen

Dat het seizoen op zijn einde loopt, valt op aan de vele dode darren die Guy in de kast aantreft. Dat duidt op het begin van de zogenaamde darrenslacht, die elk jaar rond deze tijd plaatsvindt. Dat de koningin dan niet meer hoeft te worden bevrucht, betekent dat de mannetjes hun nut hebben gehad. Daarom worden ze door de rest van de kolonie niet meer gevoed en uiteindelijk uit de kolonie geweerd of zelfs gedood.

Terwijl hij de honingraten voorzichtig wegneemt, duidt Guy de verschillende types bijen aan: de donzige jonge bijtjes, de gewone werkbijen, de iets grotere (nog levende) darren en – de grootste van allemaal – de koningin. Die laatste wordt gemarkeerd met een kleur, die aangeeft in welk jaar zij werd geboren.

Nils neemt de raten van hem over, borstelt er met een borstel voorzichtig de laatste bijen af en stopt ze in een plastic bak. De honing wordt enkel weggehaald uit de bovenste van de drie bakken. De overige twee blijven onaangeroerd, om de bijen niet hun hele wintervoorraad te ontnemen. Wat de imkers wél aan honing wegnemen, vullen ze in de komende weken aan met suikersiroop, tot ze genoeg op hebben om de winter door te komen.

Kauwgum met honingsmaak

Geladen met twee volle plastic bakken met honingraten en achtervolgd door een kleine zwerm geïrriteerde bijen, dalen Guy en Nils de trap af. Beneden jagen ze de hardnekkigste van hun achtervolgers weg en haasten zich dan met hun buit naar binnen.

Daar staat een grote metalen emmer op hen te wachten, een zogenaamde honingzwierder. Door op de metalen rekjes in de trommel de honingraten te plaatsen en snel rond te laten draaien, wordt de honing uit de raten gezwierd. Maar eerst moeten de dekseltjes van de gesloten raten worden geopend. Dat doet Guy met een speciaal metalen kammetje.

Een stapeltje met honingpotjes.

Guy: ‘Zodra de bijen een raat hebben gevuld met honing, sluiten ze die af met een dekseltje. Zo zorgen ze ervoor dat de honing de juist vochtigheidsgraad behoudt, en natuurlijk dat de honing er niet uit loopt. Dat dekseltje moeten we verwijderen voordat we de honing eruit kunnen zwieren. Wat we verwijderen, hoeft trouwens niet verloren te gaan. Het is heel lekker als kauwgum.’

De gewonnen honing wordt gezeefd en in potjes met het ‘Fluvibeez’-label gegoten om te verkopen aan de collega’s. De opbrengst gaat naar de suiker voor de bijen en nieuw materiaal om de bijen te onderhouden.

Guy: ‘De verkoop van onze honingpotjes maakt deze hele onderneming zelfbedruipend. Winst houden we er echter niet aan over. Als je rijk wilt worden, zoek je best een ander vak. (lacht) Maar we doen het met veel plezier. Een bijensteekje af en toe nemen we erbij.’